Daniela is net weg, de nacht in, en ik desatureer. Er hangt een vleug van haar in mijn lakens. Het is twee uur of wat.
Ik lig op mijn zij, voel mijn arm langs mijn heupen vallen. Vroeger dacht ik dat al mijn ledematen ooit uit één plak mens bestonden en later uit elkaar waren gescheurd, omdat mijn ellebogen precies in de versmalling bij mijn taille vielen als ik mijn armen strak langs mijn lichaam hield.
Ik probeer een plak mens te zijn, kruip terug in mijn eerste vorm, Afrika in Midden-Amerika.
Daan was er eerst niet, ik was eenpersoons. Maar er groeide iets, en nu vouw ik me ineens toch om haar heen. Sporadisch wel, alsof we slechts een keer per week in elkaar passen. Dan is het fijn. Ze is warm op alle manieren. In haar stem en in de kleur van haar gezicht en haar wimpers, en hoe haar huid aanvoelt. Dan is ze weg.
Iets bozigs sijpelt uit mijn oog. Het maakt een tergend slakkenspoortje dwars over mijn neusbrug en blijft dan onderaan mijn rechterneusvleugel hangen. Ik wiebel wat, maar het is te weinig traan om in mijn kussen te vallen, te verdwijnen. Wat overblijft is een koppig bultje verdriet. Een gefossiliseerd extra stukje zeer dat in eerste instantie niet opvalt, maar waarvan de mensen die je goed kennen, zeggen: hé, je hebt hier een bultje!

Daan heeft geen bultjes. Toen ik op een avond naar ze zocht in een streling, vond ik niets dan zachte egale huid.
Je hebt hier een galaxy, zei ik, toen ik op haar onderarm een klein bundeltje sproeten vond ter grootte van een kiezelsteen.
Ze zei: Jij hebt galaxy overal.
Ik wees naar de rug van mijn rechterhand, waar een litteken van vroeger voor een pigmentloos plekje zonder sproeten had gezorgd. Niet overal, zei ik.
Daans ogen werden groot, ik moest lachen om haar blik. Ze legde mijn hand over de sproeten op haar onderarm. Misschien hoorden ze eerst bij jou, zei ze, zijn ze overgelopen toen we even niet keken.

Mijn moeder heeft wel bultjes. Twee maar, eentje midden op haar linkerwang en eentje op haar linkerbovenarm, die plek aan de binnenkant waar mensen weleens tattoos laten zetten. (Ze zegt dat ze geen pijn doen, er gewoon zitten. Ik denk niet dat ik haar geloof.) Mijn vader heeft geen bultjes zoals mama of galaxies zoals Daan. Wel moedervlekken, massa's donkere muntjes op zijn bleke rug. En gaatjes: eentje, onder zijn oksel. Een kratertje in de vorm van een negatieve rozijn. (Van mijn klaplong, zei hij. Daar moesten ze mijn borst in om mijn longen op te blazen.)
Het deel van mijn brein dat al een leven lang rimpelige mensen in hoopjes wasgoed ziet en alleen auto's leuk vindt met een lief koplampengezichtje, ziet in mama's bultje precies zo'n rozijntje. Het moet wel dat ze daarom mijn twee ouders zijn.

Ik kijk naar de rug van mijn hand, ik ruik Daans geur om me heen. Mijn bed is warm. Mijn galaxy voelt leeg. Ik denk: ik ben er nooit achter gekomen waar mama's tweede bultje precies in paste.



© Merle Findhammer.